maandag 10 september 2007

Boek - De Oerpolder

Hylke Speerstra | Uitgeverij Contact (Paperback), isbn 9025427693
Gelezen: 17.8.2007



Misschien verbaast het de lezer dat ik tussen het oeuvre van Faulkner door ook nog tijd weet te maken voor De Oerpolder van Hylke Speerstra. Op het eerste gezicht een naar Openluchtmuseum nijgende plattelandsroman. Boerenbloed denk ik. Bovendien vind ik niet alleen het Openluchtmuseum erg leuk, maar vindt mijn leeslust zijn oorsprong in het ene boek dat we thuis hadden: Beekman en Beekman van Toon Kortooms. Tot zover het verkeerde been.
Want deze associaties doen helemaal geen recht aan De Oerpolder. Het is namelijk een uiterst lezenswaardige en goed gedocumenteerde geschiedenis van It Heidenskip, een streek onder zeeniveau in Friesland, waar het boerenleven hard was en de boerenknechten en meiden nog niet zo gek lang geleden nog echt als horigen en lijfeigenen werden behandeld.
Speerstra schetst in een aantal deels overlappende levensverhalen een beeld van een zich ontwikkelend boerenbedrijf vanaf de Negentiende eeuw. Maar ook van de zich ontwikkelende sociale verhoudingen in deze moerassige uithoek in Zuidwest Friesland, waar het geloof uiteindelijk een wig dreef tussen mensen die bij storm en tegenwind op elkaar waren aangewezen. Dat de schrijver daarbij de grens tussen feit en fictie niet altijd even scherp kan hanteren doet aan het boek geen afbreuk. De kracht van De Oerpolder zit voor mij namelijk in het min of meer herbeleven van een tijd die ik niet heb meegemaakt, maar waar ik wel affiniteit mee heb. En zo vaak komt het niet voor dat het platteland echt doordringt in de Nederlandse literatuur. Ik heb dit boek dus in ongeveer één adem uitgelezen.
Bert Wagendorp (De Volkskrant) die mij via een recensie op het boek attendeerde zegt er op de Volkskrantblog nog het volgende over:
"Toch wordt de Oerpolder nooit een historische of journalistieke reconstructie van een tijd, maar blijft het een verhaal - zulke mooie verhalen van passie en noodlot,van onvermijdelijke doem en ondergang,van worstelende kleine mensen onder het grauwe zwerk,dat het soms net is alsof je een van de oude Russen zit te lezen."
En Speerstra zelf:
‘Wêr komt de driuw wei om sa yn it ferline om te dollen?’ skriuwt Speerstra yn syn neiwurd. ‘Wat hat it te betsjutten om âlde skerven op te graven dêr’t it gehiel dochs net mear fan ynelkoar te lymjen is? Wêrom sil men besykje de deaden harren stim werom te jaan? Wat besielet de skriuwer om ferstoarnen, allang ta skimen ferwurden, wer in karakter ta te skikken? It is in foarm om in werklikheid stâl te jaan dy’t it tichtst by de werklikheid leit. Tagelyk is it in syktocht nei it boerebern dat ik sels wie en bliuw. It is it nuveraardige langstme nei it plak dêr’t myn foarfaren opgroeiden, besochten te oerlibjen en in bestean hopen te finen; it is de hing nei in libbenssfear dy’t ik leave, soms freze, dy’t my bytiden beneare, dy’t ik úteinlik ferlitte soe. Omdat de taaie grûn blykber te folle frege en te min weromjoech. En omdat in oare wrâld en takomst my lutsen.’

Labels: