The Diving Bell and the Butterfly
Frankrijk, Verenigde Staten (2007), Julian Schnabel, 1h52min | Met o.a. Jean-Pierre Cassel, Hiam Abbass, Emmanuelle Seigner, Mathieu Amalric. meer info
Gezien: 14.9.2007, Lux Nijmegen
The Diving Bell and the Butterfly (Le Scaphandre et le papillon) vertelt het waargebeurde verhaal van Jean-Dominique Bauby, de hoofdredacteur van de Franse Elle, die door een beroerte volledig verlamd raakt. Het verhaal begint op het moment dat Jean-Do uit zijn coma ontwaakt, dit wordt door Schnabel prachtig vanuit de hoofdpersoon gefilmd. Eerst zijn de beelden vaag en langzaam ontvouwt het drama zich in het hoofd van Jean-Do. Op een technisch mooi uitgewerkte manier krijg je te zien en te horen hoe de wereld er vanuit de ontwakende comapatiënt uitziet. Deze realiseert zich dat ze hem niet kunnen horen als hij spreekt, dat hij niets meer kan bewegen behalve zijn rechterooglid. Maar hoe vertel je het de dokter. Van gevierde man tot kasplantje. Jean-Do legt er zich, gesteund door zijn liefdevolle verzorgsters niet bij neer. Als blijkt dat hij nog kan communiceren door met zijn ooglid te knipperen neemt hij zich voor om zijn toezegging een boek te schrijven gestand te doen. Dat gaat uiteindelijk een jaar en drie maanden duren. Enkele maanden na het gereedkomen van het boek overlijd Bauby.
Julian Schnabel is er in geslaagd om van een uiterst zwaar en ook verteltechnisch moeilijk onderwerp - een hoofdpersoon die alleen met zijn oog kan knipperen - een uiterst geslaagde film te maken. De compositie klopt gewoon overal: je wordt volledig opgenomen in het perspectief van Bauby zonder dat het vermoeiend wordt. Hij laat in korte flashbacks perfect zien hoe het leven en het karakter van Bauby er vroeger uitzagen. Maar nergens wordt het sentimenteel. The Diving Bell is bovendien een erg mooie film waarin erg op de details is gelet. De muziek, de aankleding, de abstracte intermezzo's van instortende ijsbergen. Het is allemaal prachtig om mee te maken.
Gezien: 14.9.2007, Lux Nijmegen
The Diving Bell and the Butterfly (Le Scaphandre et le papillon) vertelt het waargebeurde verhaal van Jean-Dominique Bauby, de hoofdredacteur van de Franse Elle, die door een beroerte volledig verlamd raakt. Het verhaal begint op het moment dat Jean-Do uit zijn coma ontwaakt, dit wordt door Schnabel prachtig vanuit de hoofdpersoon gefilmd. Eerst zijn de beelden vaag en langzaam ontvouwt het drama zich in het hoofd van Jean-Do. Op een technisch mooi uitgewerkte manier krijg je te zien en te horen hoe de wereld er vanuit de ontwakende comapatiënt uitziet. Deze realiseert zich dat ze hem niet kunnen horen als hij spreekt, dat hij niets meer kan bewegen behalve zijn rechterooglid. Maar hoe vertel je het de dokter. Van gevierde man tot kasplantje. Jean-Do legt er zich, gesteund door zijn liefdevolle verzorgsters niet bij neer. Als blijkt dat hij nog kan communiceren door met zijn ooglid te knipperen neemt hij zich voor om zijn toezegging een boek te schrijven gestand te doen. Dat gaat uiteindelijk een jaar en drie maanden duren. Enkele maanden na het gereedkomen van het boek overlijd Bauby.Julian Schnabel is er in geslaagd om van een uiterst zwaar en ook verteltechnisch moeilijk onderwerp - een hoofdpersoon die alleen met zijn oog kan knipperen - een uiterst geslaagde film te maken. De compositie klopt gewoon overal: je wordt volledig opgenomen in het perspectief van Bauby zonder dat het vermoeiend wordt. Hij laat in korte flashbacks perfect zien hoe het leven en het karakter van Bauby er vroeger uitzagen. Maar nergens wordt het sentimenteel. The Diving Bell is bovendien een erg mooie film waarin erg op de details is gelet. De muziek, de aankleding, de abstracte intermezzo's van instortende ijsbergen. Het is allemaal prachtig om mee te maken.
Labels: film
Sana Valiulina pakt met Didar & Faroek flink uit. Het getuigt van behoorlijk wat lef om als oorspronkelijk Estse een historisch gedocumenteerde roman over je familiegeschiedenis te schrijven in je tweede taal. Een verhaal bovendien, waarin een enorm scala aan zware onderwerpen de revue passeert. De opkomst van de Sovjet republiek, de onderdrukking van de Tataren en de Islam, Rusland in de tweede wereldoorlog, de annexatie van de Baltische staten, het conflict tussen meelopers en individualisten in een socialistische heilstaat, een gemankeerde liefdesgeschiedenis. Het is natuurlijk verleidelijk om iemand die zijn hoofd zo ver boven het maaiveld uitsteekt een kopje kleiner te maken. Maar dat hoeft helemaal niet, Didar & Faroek ademt nergens een grote pretentie, het is een roman die duidelijk vanuit het hart en met passie geschreven is. Dat gevoel sleept je mee. En daarom is er best te leven met het feit dat de roman zowel literair compositorisch als taalkundig een geen erg fijngeslepen document is. Je proeft de potentie van een groot talent en tegelijkertijd ooknog wat onrijpheid. Een onrijpheid die met een wat betere redactie her en der best wat meer verdoezeld had kunnen worden.
Misschien verbaast het de lezer dat ik tussen het oeuvre van Faulkner door ook nog tijd weet te maken voor De Oerpolder van Hylke Speerstra. Op het eerste gezicht een naar Openluchtmuseum nijgende plattelandsroman. Boerenbloed denk ik. Bovendien vind ik niet alleen het Openluchtmuseum erg leuk, maar vindt mijn leeslust zijn oorsprong in het ene boek dat we thuis hadden: Beekman en Beekman van Toon Kortooms. Tot zover het verkeerde been.
