zaterdag 22 september 2007

The Diving Bell and the Butterfly

Frankrijk, Verenigde Staten (2007), Julian Schnabel, 1h52min | Met o.a. Jean-Pierre Cassel, Hiam Abbass, Emmanuelle Seigner, Mathieu Amalric. meer info
Gezien: 14.9.2007, Lux Nijmegen



The Diving Bell and the Butterfly (Le Scaphandre et le papillon) vertelt het waargebeurde verhaal van Jean-Dominique Bauby, de hoofdredacteur van de Franse Elle, die door een beroerte volledig verlamd raakt. Het verhaal begint op het moment dat Jean-Do uit zijn coma ontwaakt, dit wordt door Schnabel prachtig vanuit de hoofdpersoon gefilmd. Eerst zijn de beelden vaag en langzaam ontvouwt het drama zich in het hoofd van Jean-Do. Op een technisch mooi uitgewerkte manier krijg je te zien en te horen hoe de wereld er vanuit de ontwakende comapatiënt uitziet. Deze realiseert zich dat ze hem niet kunnen horen als hij spreekt, dat hij niets meer kan bewegen behalve zijn rechterooglid. Maar hoe vertel je het de dokter. Van gevierde man tot kasplantje. Jean-Do legt er zich, gesteund door zijn liefdevolle verzorgsters niet bij neer. Als blijkt dat hij nog kan communiceren door met zijn ooglid te knipperen neemt hij zich voor om zijn toezegging een boek te schrijven gestand te doen. Dat gaat uiteindelijk een jaar en drie maanden duren. Enkele maanden na het gereedkomen van het boek overlijd Bauby.
Julian Schnabel is er in geslaagd om van een uiterst zwaar en ook verteltechnisch moeilijk onderwerp - een hoofdpersoon die alleen met zijn oog kan knipperen - een uiterst geslaagde film te maken. De compositie klopt gewoon overal: je wordt volledig opgenomen in het perspectief van Bauby zonder dat het vermoeiend wordt. Hij laat in korte flashbacks perfect zien hoe het leven en het karakter van Bauby er vroeger uitzagen. Maar nergens wordt het sentimenteel. The Diving Bell is bovendien een erg mooie film waarin erg op de details is gelet. De muziek, de aankleding, de abstracte intermezzo's van instortende ijsbergen. Het is allemaal prachtig om mee te maken.

Labels:

Boek - Didar & Faroek

Sana Valiulina |Meulenhoff Amsterdam (2006), 429 pgs., isbn 902907504
Gelezen 20.8.2007


Sana Valiulina pakt met Didar & Faroek flink uit. Het getuigt van behoorlijk wat lef om als oorspronkelijk Estse een historisch gedocumenteerde roman over je familiegeschiedenis te schrijven in je tweede taal. Een verhaal bovendien, waarin een enorm scala aan zware onderwerpen de revue passeert. De opkomst van de Sovjet republiek, de onderdrukking van de Tataren en de Islam, Rusland in de tweede wereldoorlog, de annexatie van de Baltische staten, het conflict tussen meelopers en individualisten in een socialistische heilstaat, een gemankeerde liefdesgeschiedenis. Het is natuurlijk verleidelijk om iemand die zijn hoofd zo ver boven het maaiveld uitsteekt een kopje kleiner te maken. Maar dat hoeft helemaal niet, Didar & Faroek ademt nergens een grote pretentie, het is een roman die duidelijk vanuit het hart en met passie geschreven is. Dat gevoel sleept je mee. En daarom is er best te leven met het feit dat de roman zowel literair compositorisch als taalkundig een geen erg fijngeslepen document is. Je proeft de potentie van een groot talent en tegelijkertijd ooknog wat onrijpheid. Een onrijpheid die met een wat betere redactie her en der best wat meer verdoezeld had kunnen worden.
Valiulina geeft zelf aan dat zij in haar research voor dit boek zich onder andere baseert op een aantal middelmatige romans over de revolutiejaren. Dat zie je in het verhaal ook terug in het naïeve optimisme van Didar, maar dat blijkt ook nog eens te werken. Je kunt je ook voorstellen dat je met naïef optimisme overeind blijft inde complexe en onvoorspelbare jaren van de ontwikkeling van de Sovjet Republiek. Die pretentieloosheid tekent zich soms ook af in de dialogen in het boek. Het gaat overal en nergens over, het zijn geen intellectuele debatten die we gewend zijn van de Russische grootmeesters, maar kibbelende pubers die aan het woord zijn, volwassenen die zich krampachtig vasthouden aan de ongeschreven regels van de Sociale omgang, moeders met een vage notie van wat volgens Allah al of niet fatsoenlijk is. Beide hoofdfiguren worden op hun manier op handen gedragen: Faroek omdat hij ziekelijk is en een zorgenkindje, Didar omdat ze autonoom is en duidelijk de grenzen opzoekt van wat ze zich als vrouw kan permitteren.
Valiulina verstaat de kunst van het vertellen en heeft een enorm verbeeldingsvermogen, dat voel je tijdens het lezen en dat sleept je mee door het verhaal. De constructie van het verhaal zit daarbij soms in de weg. Ik ben er niet uit of ik tijdens het lezen nog wel voortdurend in mijn achterhoofd had dat Didar & Faroek elkaar aan het eind moesten krijgen. Die suggestie wordt vooral gewekt door de personages om en om aan het woord te laten, maar over elkaar hebben ze het niet zo vaak. Eigenlijk denk ik dat het als liefdesverhaal niet erg geslaagd is. Als schets van twee parallelle levens wel, maar de momenten dat ze elkaar kruisen zijn het minst sterk.
Wat is het beeld dat bijblijft van Didar & Faroek als karakters? Faroek is iemand die zichzelf overal buiten plaatst - het is wonderlijk hoe hij ondanks dat hij niet praat toch zo duidelijk een positie inneemt in het sociale leven en het gezin - en misschien daardoor wel overleeft. Voor het zelfde geld zou je zo'n overlever een lafaard kunnen nomen, maar dat is hij niet. Maar het is mij volstrekt onduidelijk wat zijn drijfveren zijn noch waarom hij niet wat heldhaftiger is geweest. Alles rond deze figuur is zo onverklaarbaar, hopeloos en vaag.
Didar is wat explicieter, maar ook zij doet eigenlijk niets anders dan overleven. Zij bindt zich niet en ziet zich als autonoom individu vaak gedwongen om te leunen op de hulp van anderen. of zich aan te passen aan het keurslijf dat wordt opgelegd vanuit gezin, overtuiging of geloof. In beide gevallen zie je wel dat er een ontwikkeling is van kind naar volwassene, maar ik kan iet echt zeggen dat de grote historische context van de roman zich ook uit in de ontwikkeling van de karakters. De geschiedenis krijgt weinig grip op ze, misschien is dat wel realistisch. De geschiedenis doet zich voor aan deze mensen en hun rol daarin is niet meer dan een toevallig individu dat die geschiedenis meemaakt en er het beste van probeert te maken.

Labels: ,

maandag 10 september 2007

Boek - De Oerpolder

Hylke Speerstra | Uitgeverij Contact (Paperback), isbn 9025427693
Gelezen: 17.8.2007



Misschien verbaast het de lezer dat ik tussen het oeuvre van Faulkner door ook nog tijd weet te maken voor De Oerpolder van Hylke Speerstra. Op het eerste gezicht een naar Openluchtmuseum nijgende plattelandsroman. Boerenbloed denk ik. Bovendien vind ik niet alleen het Openluchtmuseum erg leuk, maar vindt mijn leeslust zijn oorsprong in het ene boek dat we thuis hadden: Beekman en Beekman van Toon Kortooms. Tot zover het verkeerde been.
Want deze associaties doen helemaal geen recht aan De Oerpolder. Het is namelijk een uiterst lezenswaardige en goed gedocumenteerde geschiedenis van It Heidenskip, een streek onder zeeniveau in Friesland, waar het boerenleven hard was en de boerenknechten en meiden nog niet zo gek lang geleden nog echt als horigen en lijfeigenen werden behandeld.
Speerstra schetst in een aantal deels overlappende levensverhalen een beeld van een zich ontwikkelend boerenbedrijf vanaf de Negentiende eeuw. Maar ook van de zich ontwikkelende sociale verhoudingen in deze moerassige uithoek in Zuidwest Friesland, waar het geloof uiteindelijk een wig dreef tussen mensen die bij storm en tegenwind op elkaar waren aangewezen. Dat de schrijver daarbij de grens tussen feit en fictie niet altijd even scherp kan hanteren doet aan het boek geen afbreuk. De kracht van De Oerpolder zit voor mij namelijk in het min of meer herbeleven van een tijd die ik niet heb meegemaakt, maar waar ik wel affiniteit mee heb. En zo vaak komt het niet voor dat het platteland echt doordringt in de Nederlandse literatuur. Ik heb dit boek dus in ongeveer één adem uitgelezen.
Bert Wagendorp (De Volkskrant) die mij via een recensie op het boek attendeerde zegt er op de Volkskrantblog nog het volgende over:
"Toch wordt de Oerpolder nooit een historische of journalistieke reconstructie van een tijd, maar blijft het een verhaal - zulke mooie verhalen van passie en noodlot,van onvermijdelijke doem en ondergang,van worstelende kleine mensen onder het grauwe zwerk,dat het soms net is alsof je een van de oude Russen zit te lezen."
En Speerstra zelf:
‘Wêr komt de driuw wei om sa yn it ferline om te dollen?’ skriuwt Speerstra yn syn neiwurd. ‘Wat hat it te betsjutten om âlde skerven op te graven dêr’t it gehiel dochs net mear fan ynelkoar te lymjen is? Wêrom sil men besykje de deaden harren stim werom te jaan? Wat besielet de skriuwer om ferstoarnen, allang ta skimen ferwurden, wer in karakter ta te skikken? It is in foarm om in werklikheid stâl te jaan dy’t it tichtst by de werklikheid leit. Tagelyk is it in syktocht nei it boerebern dat ik sels wie en bliuw. It is it nuveraardige langstme nei it plak dêr’t myn foarfaren opgroeiden, besochten te oerlibjen en in bestean hopen te finen; it is de hing nei in libbenssfear dy’t ik leave, soms freze, dy’t my bytiden beneare, dy’t ik úteinlik ferlitte soe. Omdat de taaie grûn blykber te folle frege en te min weromjoech. En omdat in oare wrâld en takomst my lutsen.’

Labels: